Monday, May 12, 2008

 

GOOIJER DE, WILLEM ELDERSEN : * CA. 1645 + BLARICUM 1717

Het Dorp Bleerkom in Gooyland ca. 1770 Anoniem.
(in het verleden toegeschreven aan Jacob van Ruisdael ca. 1660)
Posted by Picasa

Tuesday, November 30, 2004

 

WILLEM ELDERSEN (ELDERTSE, ELLERTSEN) ca 1645 -1717

_____________________________________________________________
Willem Eldersen (de GOOIJER, GOIJER), geboren ca. 1645 (gezindte :RK)
Gehuwd voor de kerk (1) op 30-04-1679 te Blaricum (RK) met Meijnsje SIJMENS (of PIETERS), geboren circa 1655 (gezindte RK), overleden circa 1681.
Gehuwd voor de kerk (2) op 08001-1682 te Blaricum (RK) met Cornelis (CORNELIS),
geboren circa 1655.
Uit het eerste huwelijk:
1. Ellert (de GOOIJER), geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 05-02-1680 te Blaricum. (doopgetuige, Neeltje Pieters)
2. Maria (de GOOIJER), geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 27-09-1681 te Blaricum. Doopget. Eijbetje Wlleerts.
Uit het tweede huwelijk:
3. Ellert de GOOIJER, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 07-07-1683 te Blaricum.
(getuige Hendrikje Claas)
4. Merritje de GOOIJER, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 16-06-1685 te Blaricum (getuige Hendrikje Claas)
5. Jan de GOOIJER, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 16-06-1685 te Blaricum.
(getuige Hendrikje Claas) (zie IIIa)
6. Merritje de Gooijer, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 04-11-1686 te Blaricum
(getuige Hendrikje Claas)
7. Cornelis de GOOIJER, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 26-07-1688 te Blaricum. (getuige Neeltje Piters)
8. Jannetje de GOOIJER, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 18-12-1692 te Blaricum. (getuige Marretje Cornelis)
9. Gijsbert de GOOIJER, geboren te Blaricum, gedoopt (RK) op 07-01-1696 te Blaricum. (getuige Neeltje Pieters) (zie IIIb)
____________________________

RAMPZALIGE PERIODE.
Willem Eldertsz heeft, net als de overige Blaricummers, eerder in een rampzalige
dan in een 'Gouden Eeuw' geleefd. Sommige rampen waren het gevolg van 'de
grote politiek' en anderen het gevolg van kleinzieligheid en hebzucht. Waardoor
het grootste leed werd veroorzaakt is moeilijk uit te maken. Kleine Willem
werd omstreeks 1645 gedoopt. Mogelijk werd het doopsel toegediend door
Tijmen De Sayer. Deze priester, geboren in Blaricum, had in de Zuidelijke
Nederlanden (nu Belgie) gestudeerd en was daar gewijd. In Noord Nederland was
het openlijk belijden van de Katholieke godsdienst verboden. Door de strenge
plakkaten gericht tegen het uitoefenen van het priesterschap,was hij gedwongen
zijn werk illegaal in het Gooi uit te oefenen. In het Gooi was de wereld op z'n
kop gezet. De overgrote meerderheid van de dorpsbevolking, Huizen
uitgezonderd, was katholiek gebleven. De kerken waren echter toegewezen
aan de enkele protestanten die meestal van elders waren gekomen en die
tevens de belangrijkste baantjes vervulden. In openbare functies werden
katholieken geweerd. Het schoutsambt werd dan ook bekleed door lieden
van de 'ware religie'. Generaties lang bleef zo'n ambt in de familie, zoals bij
het geslacht Duurkant in Blaricum. Gelukkig voor de katholieke bevolking
waren de schouten in het algemeen omkoopbaar. Enkele bekende gezegden
uit die tijd luidden: "Schouten en baljuwen, grijpen als wuwen"
"Schouten, baljuws, en graven stelen als de raven".
Voor ruime steekpenningen knepen zij een oogje dicht als er bij dopen,
trouwen en de laatste sacramenten de hulp van een priester werd
ingeroepen. In de 18e eeuw inde de Gooise baljuw jaarlijks f 1400 voor
enige vrijheid van de katholieke godsdienst. Later, in 1786, was dit bedrag
verlaagd en betaalde katholieken van: Laren f 50., Blaricum f 37,50,
Hilversum f 250 en Naarden en Bussum f 95.
Als de schout de mensen bij hun geloofsbeleving met rust liet, dan
slikte men in het algemeen veel willekeur van de 'overheid'. Ook de
Staten van Holland zagen dat soms in, zij gaven in 1656 aan
pastoor Petrus Hartman officieel toestemming om werkzaam te
zijn in Blaricum. Zelfs kreeg hij toestemming om een boerderijkerkje
in te richten mits het niet in het zicht lag. Pastoor Petrus van der
Heijden werd in 1670 tot zijn opvolger benoemd.Het leek even of het
Gooi en de Gooiers wat rust was vergund.
Engeland en Frankrijk beraamden echter samen een roofoverval op
de Republiek der Verenigde Nederlanden en voerden dit in 1672 uit.
Het motief was machtswellust en hebzucht. Op zee sneuvelden
Hollandse en Zeeuwse matrozen tegen de Engelsen. Op het land
vluchtte het Staatse, uit vreemdelingen bestaande, huurleger voor de
Fransen. De oranjepartij greep naar de macht na hun dubbele politieke
moord op de onkreukbare staatsman Johan de Wit en zijn broer Cornelis.
De bevolking van de Republiek was niet alleen reddeloos, radeloos en
redeloos, voortaan zou hun bestaan worden opgeofferd aan de dynastieke
en monarchistische avonturen van de familie Oranje-Nassau. Het begon
met het onvolwassen 'Kind van Staat' uit te roepen tot Stadhouder Willem III.
Het leger van de 'Zonnekoning' Louis XIV stuitte uiteindelijk op de
onderwaterzetting rond de provincie Holland. Aangezien de verwaarloosde
vesting Naarden net voor de Waterlinie lag, werd het zonder verzet door de
Fransen ingenomen. Zonder een schot te lossen trok de Staatse bezetting op
20 juni de Koepoort uit en liet de stad aan de Fransen. De opmars van het
Franse leger moet tot veel leed in het Gooi geleid hebben. Aangezien de
oranjepartij en de regentenkliek alleen hun probleempjes te boek stelde, is
daarover weinig of niets overgeleverd. Wel vermelden de geschiedenisboekjes
het in brand steken van het Buitenhuis van admiraal Tromp. De weigering van
Tromp om, naar het toenmalig gebruik, de vernieling af te kopen wordt
achterwegen gelaten. Tromp kreeg dus later van de Staten van Holland een
paleisje terug. De 'normale' geweldplegingen, roofoverval­len, verkrachtingen
en vernielingen op het platteland doorzowel 'vriend' als 'vijand' werden nooit
vergoed.
Over Blaricum ging eerst de wals van de Fransen, totdat die zich terugtrokken in
de vesting Naarden. Daarna volgde een jaarlang de belegering door de Staatse
huurlingen, mogelijk nog minder gedisciplineerd als de Franse soldaten. Bij een
van de plundertochten door het Staatse leger werd de pastoor van Blaricum,
Petrus van der Heijden, op 2 juni 1673 doodgeschoten. Volgens de overlevering in de boerderijkerk voor het altaar. Hij werd begraven in Utrecht.
De Staatse belegeringstroepen stonden vanaf 1672 onder bevel van Prins Johan
Maurits van Nassau. Deze 68 jarige veldmaarschalk had zijn hoofdkwartier in
Muiden. Hij was daar midden juni 1672 met een kleine 2000 man aangekomen.
De eerste poging in september1672 om Naarden te heroveren mislukte doordat
een plotselinge windstilte de aanvoer van geschut en troepen onmogelijk maakte.
Uiteindelijk werd de vesting in de avond van 11 september 1673 ingenomen. Bij
de stormaanval waren het vooral de Spaanse hulptroepen die een belangrijke rol
speelden bij de inname. Honderd jaar na de uitmoording door de Spanjaarden,
werd Naarden dus bevrijd door zijn vroegere vijanden. Omdat dit niet strookt
met de 'vaderlandse geschiedenisverhaaltjes' wordt dit feit steevast niet vermeld.

RECHTSMACHT EN BESTUUR
Vlak voor en na het beëindigen van de 80-jarige oorlog ontwikkelde zich in
Holland een wat beter georganiseerde maatschappij. De macht van de oranjes,
met achter zich het Staatse leger, werd beknot. Ruim 20 jaar was er een
Stadhouderloos tijdperk. De raadspensionaris en het regentendom namen de
macht over in de rechtsspraak en het bestuur.
Ten behoeve van de rechtsmacht en het bestuur was het gewest Holland
verdeeld in Baljuwschappen. Deze indeling bleef tot 1795 in gehandhaafd.
Het Gooi was zo'n Baljuwschap en in dit district oefende de baljuw vanuit
het Muiderslot de rechts­macht of jurisdictie uit. Het Gooi was weer
onderverdeeld in schoutambten waar de plaatselijke schout de lagere
Rechtsmacht had. De baljuw had in de Gooise dorpen het oppertoezicht
Over het burgerlijk bestuur, over het maken van keuren, de militaire
zaken en was opperrechter. De dorpsschouten werden door hem benoemd,
vaak waren de dorpelingen over de benoemde persoon niet tevreden.
Ook in de overwegend katholieke dorpen diende deze tot de 'ware
gereformeerde religie'
te behoren. Als vertegenwoordiger van de baljuw
strekte de werkzaamheden van de schout zich uit over een groot terrein.
Hij kreeg f 100 salaris uit de dorpskas buiten de vele mogelijkheden die
hij had om zijn zakken te vullen uit de opbrengsten van zijn vele functies.
Hij was hoofd van de plaatselijke politie, kwam in de vergadering van het
dorpsbestuur en streek de boete op als een bestuurder niet kwam opdagen.
Soms was hij gerechtsbode. Hij was ook lid en voorzitter van het college van
Schout en Schepenen. Dit was wel zijn belangrijkste en winstgevende functie.
onroerende goederen. Hij oefende de lagere rechtsmacht uit en was eiser van
straffen bij burgerlijke- en bij kleine criminele zaken, die met een lage boete
konden worden afgedaan. Het vonnis werd geveld door de schepe­nen. De
schout kreeg net als de schepenen presentiegeld op de rechtdagen en bovendien
een derde deel van de opgelegde boeten. In Blaricum verdiende hij goed aan het
verplicht trouwen voor de schout door de vele katholieke bruidsparen uit een
bevolking die voor 95% tot de 'Roomsche Kerk' behoorden.
De schout genoot ook een som geld voor het beedigen van schepenen en hielp
de vernieuwing van de magistraat feestelijk te vieren. Vooral in Blaricum was
die viering gedegen en gebeurde in 1698 bij de schout aan huis met een stevige
maaltijd en een vat bier. De schout was tevens herbergier, zodat hij ook aan de
braspartij verdiende. In Blaricum bekleedde de familie Duurkant van vader op
zoon meer dan een eeuw lang het schoutsambt.
Ook in de kleine stad Naarden kwamen weinig personen in aanmerking voor
een magistraatsfunctie. De keus was beperkt; om die reden is in 1621 op verzoek
van de stad de voordracht tot 14 namen beperkt. Al vroeg bleven daardoor de
ambten in Een klein kringetje circuleren, waar moeilijk een ander tussen kwam.
Na midden 17e eeuw is heel duidelijk hoe telkens dezelfde namen Thierens,
Nagtglas, Heshuizen enz terugkeerden. Enkele van deze heren hadden bijna
alle functies in handen.We vinden ze herhaaldelijk als notarissen, commissarissen
in de trekvaart, pachter van belastingen, weeshuisregenten en in de Kerken raad.
De naam Thierens staat twee eeuwen lang als secretaris onder alle uitgaande
stukken, nu en dan is ook een Thierens burgemeester. Bovendien was Thierens
secretaris van Huizen, Blaricum en Stad en Lande van Gooiland. In het Gooi nam
Naarden een overheersende positie in.
De stad werd geregeerd door 3 burgemeesteren, 7 schepenen, 2 oud-
burgemeesteren, 7 oud-schepenen en 12 notabelen, die tezamen de vroedschap
vormden. De dorpen hadden 2 buurmeesters, 5 schepenen en 4 raden.Blaricum
vormde met Laren een gerecht uit 7 schepenen bestaande, waarvan uit elk dorp
beurtelings 3 en 4; zij hadden ieder een buurmeester, tot de volledige scheiding
in 1795. Buurmeesters hadden twee jaar zitting. Elk jaar koos de baljuw nieuwe
schepenen uit een dubbeltal door de schout en de jongste buurmeester
opgemaakt, die daarop een nieuwe kozen in plaats van de aftredende en vier raden.
Aanvankelijk woonden in Blaricum en Laren zo goed als geen protestanten.
De overgrote katholieke meerderheid werd toen nog, bij gebrek aan
protestanten, geregeerd door eigen mensen. Op 6 juni 1607 klaagden enkele
dominees zich bij de Classis in Amsterdam over het feit dat in het Gooi de placaten
door de paapsgezinden eenvoudig genegeerd werden. 2 Juni 1648 wordt daar
gezegd, dat: " tot Laren eenige paepen resideerden die hare provincie zeer
verontrusten" en werd verzocht die te weren. 7 Augustus 1651 wordt geklaagd
"dat tot Laren en Blaricum vyf paepsche schepenen en twee paepsche schouten
zijn" In 1654 en 1655 wordt de klacht in Blaricum nog eens herhaald en schijnt
zelfs een katholiek door de buurmeesteren, schepen en raden tot kerkmeester
van de protestante kerk te zijn benoemd. Achteraf gezien lijkt vooral het laatste
vreemd, echter voor het onderhoud van de kerk draaide hoofdzakelijk de hele,
dus katholieke, gemeenschap op. Toezicht op het onderhoud en financien was
noodzaak en kon niet door de eerste de beste worden overgelaten.

DE GROTE BRAND
Op 26 maart 1696 ontstond een grote brand in Blaricum. Het was ontstaan door
een oude vrouw die vlas droogde bij het haard­vuur. De bekende tijdgenoot
Lambert Rijcksz Lustigh (1656-1727) legde deze ramp vast. Van het totaal van
108 huizen verbrandde er 34 stuks. Bovendien werd ook de Gereformeerde kerk
en de school een prooi van de vlammen. Ook vee kwam in de vlammen om.
Lustigh noteerde alle gedupeerden met naam en toenaam:

Meijns Hendriks en 4 koeien op stal,.
Schuur van Hendrick Gerbertz met huis,
2 huizen van Lambert Willemsz,Ô
Hendrick de Jager, Harmen Harmensz,
Lambert Jansz Verwer, Jacob Sijmonsz den Buijrmeester,
Jacob Teeuwisz, Steven Teunis,
Mewis Teunisz, Henrick de Snijer,
Koppe Janz Pieter (de) Decker,
Ebbe Jan Ebbeszen, Tijmen Lambertz Regter,
Hendrick de Kuiper, Willem Jansz Verwer,
Marten Wouterz, Hendrick Cornelisz,
Rijck Jacobsz, Dirk Elbertz,
Tijmen (de) Decker, Gerrit Tewisz,
Grietje Frans, Adriaen Cornelisz Koster,
Jan Teunisz,
Jacob Hendriksz,
Jaap Jan,
Neeltje Jan Koppen,
Dominees huis,
school huis.


Het huis van Willem Eldertse bleef gespaard, want zijn naam werd niet genoemd.
De boeren waarvan de boerderijen waren verbrand verzochten om op 27 maart 1696
hun vee op de Meent te mogen scharen. Het werd toegestaan, hoewel de normale
schaardag pas op 12 mei was.
Uit de algemene middelen moesten zowel de herbouw van de school, Gereformeerde
kerk en het predikantshuis worden betaald. Eind 1698 werd het predikantshuis weer
opgebouwd. Over het betalen van de kosten hiervan, was tussen Laren en Blaricum wat onenigheid ontstaan. In beide dorpen woonden praktisch geen calvinisten, daarom
behoorden ze tot slechts een kerke­lijke Gereformeerde gemeente. Nadat de
Blaricummers een rekwest hadden gericht tot de Gecommitteerde Raden om in deze
zaak te bemiddelen, werd door laatstgenoemden de baljuw Hendrik Hooft verzocht
de zaak te onderzoeken. De baljuw kwam op 14 maart 1699 naar het dorp om ter plaatse uitspraak te doen. Hij besliste, dat Laren 1/3 deel en Blaricum 2/3 deel had te
betalen. Op 17 april van dat jaar presenteerde die van Blaricum de rekening aan Laren
voor een bedrag van f 2097,19, waarvan de Laarders f 699,05 betaalden.

DE VEEPEST.
De Blaricummers ondergingen veel ellende als gevolg van misdadigheden van hun
binnenlandse- en buitenlandse vijanden.
Daarnaast vonden er ook natuurrampen plaats. Regelmatig stak de veepest de kop op.
Deze virusziekte tastte de ingewanden van koeien aan en kwam via Azie en Rusland
voor het eerst in 1713 in Holland aan.
De verspreiding werd veroorzaakt door kapitaalkrachtige speculanten die magere,
dus zieke verzwakte, koeien invoerden. Ze werden in de Hollandse vette weiden
vetgemest. Jaarlijks kwamen er 20 a 30.000 uit Jutland en Holstein.
Ze werden echter ook per schip aangevoerd uit de Baltische staten, toen een haard
van de veepest.
De medeplichtige 'centrale overheid' ondernam niets tegen deze grootschalige
invoer van besmetting. De ' regionale overheid' was zich wel degelijk bewust van het besmettingsgevaar. Boeren die vee, zonder papieren, uit het Sticht naar het Gooi
brachten werden zwaar beboet. Blaricum werd zwaar door deze plaag getroffen.
Lambert Rijcksz Lustigh vermeldde hierover het volgende:
Tijmen Lambertsz woonde tot Blaricum op heden den 10 maart
1714 wegens de gestorve koebeesten aldaar aan mij opgeeft:
Namentlijck
Lambert Jansen Puijk 10 koebeesten
Dilheijnen de wed. v. Ebbe Jans Vos 11 koebeesten
Hendrick Cornelissen 15 koebeesten
Jaap Zijmon 6 koebeesten
Jan Bunschoter 6 koebeesten

Jan Rutgersz 5 koebeesten
Hendrick Pater 4 koebeesten
Tijmon Lambertsen selver 3 koebeesten
D'weduw. van Lambert Tijmons 2 koebeesten
Klaas Jans 1 koebeest
Lambert Elberts onse neef 1 koebeest
Gijsbert Bregters 1 koebeest
Klaas Harmens 1 koebeest
Peter Ebben 1 koebeest
Evert Pieters 1 koebeest
Geu 1 koebeest
Samen 69 koebeesten


Met een waar berouw de Heere te bidden en smeken, dat sal
het beste sijn om de plage te doen ophouden.
Lustigh wilde het echter niet geheel aan de 'Heere' overlaten.
Hij somde ook vele recepten op om de zieke beesten te genezen.
Het waren zeer ingewikkelde recepten, soms in het Latijn. Maar
er waren ook eenvoudige bij zoals:
"Neemt twee wrangwortels ende steeckt deselve in elcke
agterste bil van het zieke beest een wrangwortel of
neemt anderhalf pintje goede jenerver met een loot seer
fijne van de beste toeback en een halve hant vol zouts daar
onder en geeft dit met malekanderen het beest in."


Zoals gewoonlijk werd de schuld bij de slachtoffers gezocht.
De verantwoordelijken gingen uit van 'Ieder voor zich en God
voor ons allen'. De slachtoffers werden vanaf de kansel door
de dominees ook nog eens opgezadeld met schuldgevoel.
Niet alleen koeien stierven aan deze ziekte. Door de dreigende
hongersnood at men vlees van zieke koeien. Sommige mensen
overleden aan de gevolgen. Lustig schreef hierover:
"Anno 1717 in de maand maart. Doen sterven veel luijden
seer haastigh, maar hadden in hare ziektens veel vierighe
werckinge met sware pijn in 't hooft. Waar door eenige
geheel buijten haar verstant raakten, ja eenige kregen
groote vierig¬heden aen haar arm, anderen aen haar vinger
en sloegen dese vierigheden om 't hart en stierven seer
snellijck".


Uit mijn onderzoekje (FdG) bleek het aantal overleden Blaricummers in
1717 niet veel groter dan in de jaren daarna. Mogelijk vond deze sterfte plaats
in de periode tussen 1714 en 1717. Wel overleed Willem Elderse
(de Gooijer) op 23 maart 1717.
_______________
Bronnen en opmerkingen:

- Geschiedenis van Gooiland, De Vrankrijker blz. 230
- Gedenkboek 300-jarig bestaan van de Parochie Sint Vitus
te Blaricum.
- Deze Prins Johan Maurits van Nassau was dezelfde als Johan
Maurits van Nassau-Siegen. Hij vertrok op ca. 32 -jarige
leeftijd in 1636 als Gouverneur-Generaal naar Brazilie en
stond bekend onder de bijnaam 'Maurits de Braziliaan'.
- Nederland als Polderland. door A.A. Beekman - Zutfen - W.J.
Thieme en Co . 1884
- Geschiedenis van Gooiland, De Vrankrijker blz. 77 en 78
- Geschiedenis van Gooiland, De Vrankrijker blz 230

- Tussen Vecht en Eem. no. 2. blz. 87 en 88.

- Onze vaderlandse geschiedenis. door Klaas Jansma en Meidert
Schoor. Uitg. Inter-Combi van Seijen - Leeuwarden 1987

- De Lage Landen 1500 - 1780. blz. 224
- Tussen Vecht en Eem. TVE 5 37 en 38. Over de veepest in de
18e eeuw.

______________________________________________________________
BIJLAGEN:
Willem Eldersen ( de GOOIJER, GOIJER ) geboren circa 1650
(gezindte RK). Gehuwd voor de kerk (1) op 30-04-1679 te Blaricum met Meijnsje
SIJMENS PIETERS ), geboren circa 1655
(gezindte RK), overleden circa 1681.
Gehuwd voor de kerk (2) op 08-01-1682 te Blaricum (RK) met
Cornelia CORNELIS , geboren circa 1655.
Uit het eerste huwelijk:
1. Ellert, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 05-02-1680 te
Blaricum. doopget. Neeltje Pieters.
2. Maria, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 27-09-1681 te
Blaricum. doopget. Eijbetje Ellerts.
Uit het tweede huwelijk:
3. Ellert, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 07-07-1683 te
Blaricum. doopget. Hendrikje Claas.
4. Merritje, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 16-06-1685 te
Blaricum.
5.
Joannes , geb. te Blaricum, ged. (RK) op 16-06-1685 te
Blaricum, doopget. Hendrikje Claas.
Bij het dopen van de tweeling Merritje en Joannes is bij de
inschrijving een fout gemaakt. In plaats van Joannes is
ingeschreven 'Joanna'. Een 'Joanna komt later nergens meer
voor, wel een 'circa 50-jarige' Jan Willemsz de Gooijer in
april 1734. (zie IIIa)
6. Merritje, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 04-11-1686 te
Blaricum. doopget. Hendrikje Claas.
7. Cornelis, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 26-07-1688 te
Blaricum. doopget. Neeltje Pieters.
8. Jannetje, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 18-12-1692 te
Blaricum. doopget. Marretje Cornelis
9. Gijsbert, geb. te Blaricum, ged. (RK) op 07-01-©1696 te
Blaricum. doopget. Neeltje Pieters. (zie III b)
______________________________________________________________
______________________________________________________________
Willem Eldersen voorkomend in akten:

269 - 124 : 1677 Koptiendengaderboek Blaricum [fo. 64 t/m 87]
fol. 81 L : Peter Otten
------------------------
: 1677 Oud Recht Blaricum
Willem Elderde koopt land van Peter Otten (nog niet ingezien)
-------------------------
269 - 125 : 1678 Koptiendengaderboek Blaricum [fo. 64 t/m 88]
fol. 81 L : Peter Otten (doorgestreept)
afgeset 't Peter Teunis
afgeset 't Willem Elbertsz
fol. 88 L : Willem Elbertsz
overgenomen van Peter Otten i @ i
-------------------
269 - 127 : 1680 Koptiendengaderboek Blaricum [64 t/m 90 R]
fol. 88 L : Willem Elbertsz
overgenomen van Peter Otten i @ i cop
------------------
3249.15 : 1680.01.31 Oud Recht Blaricum
Verklaring van WILLEM ELDERSE (was doorgehaald) daaronder "op
30.xx..1704 heeft JAN HARMENS, soo voor sigh als voor zijn
...... mede erfgenamen"
-------------------
3249.14 : 1680.01.31 Oud Recht Blaricum
HARMEN HARMENS verkoopt aan WILLEM ELDERSEN een huis te Blari­cum naast Gerrit Jansz Suyden ten Noorden en Lambert Gijsberts ten Suyden
-----------------------
269 - 135 : 1689 Koptiendengaderboek Blaricum [64 t/m 84]
fol. 78 L : Willem Elbertsz i @ i cop
-----------------
269 - 136 : 1690 Koptiendengaderboek Blaricum
----------------
269 - 137 : 1691 Koptiendengaderboek Blaricum
---------------
269 - 138 : 1692 Koptiendengaderboek Blaricum
fol. 78 L : Willem Elbertsz i @ i cop
----------------
269 - 139 : 1693 Koptiendengaderboek Blaricum [64 t/m 85]
fol. 78 L : Willem Elbertsz i @ i cop
-----------------
3251.35 : 1694.02.14 Oud Recht Blaricum
WILLEM ELDERSEN verkoopt aan EVERT CORNEL REBEL lant 1 1/2
schepel naast Meeuwis Theunis ten oosten, gelegen op de neng.
1 1/2 schepel bij Cooltjesbosch naast Lamb. Tijmes ten zuiden.
--------------
269 - 140 : 1695 Koptiendengaderboek Blaricum
fol. 85 R : Evert Corn. Rebel
overgenomen van Willem Elbertsz i @ i cop
______________________________________________________________
S&L Archief: 1708 Erfgooierslijst
nr. 21 : Willem Ellerden
______________________________________________________________
3238 : 1709.10.03 Oud Recht Blaricum
JAN JANSE JONGE contra WILLEM ELDERDE gedaagde
----------------
3238 : 1709.10.07 Oud Recht Blaricum
WILLEM ELDERDE gedaagde
---------------
3253.107 : 1714.12.10 Oud Recht Blaricum
WILLEM ELDERSEN verkoopt aan JACOB CLAAS EYLAND, huis naast
Lambert Meynders ten oosten en Jan Gerrit van Oosten ten
westen. f 232.
------------
3253.108 : 1714.12.10 Oud Recht Blaricum
JAN CLAAS EYLAND transporteert aan LAMBERT JANSZ , huis naast
de weduwe Lambert Tijmen te oosten en Jan Gerrit van Oosten
ten westen.
______________________________________________________________
Streekarchief voor Gooi- en Vechtstreek
Ontfangen van den Impost gestelt op 't begraven der doden
Zedert den 15 November 1695 binnen den dorpe Blaricum¬
23.03.1717 Willem Elderse Pro Deo
______________________________________________________________
OPMERKING:
In het midden van de 17e eeuw en nog jaren daarna, bestond in de Gooise dorpen een agrarische maatschappij. In de havenstad Amsterdam was toen reeds jaren een vroeg-kapitalistische maatschappij tot ontwikkeling gekomen. Terwijl in 't Gooi maar weinig geld omging, men ruilde onderling vaak produkten, rolde in Amsterdam het geld over de straat. 'Kooplieden' zochten naar een veilige belegging. Het droogleggen van de Beemster vond pas plaats, nadat er in de wijde omgeving geld in grond belegd was. (Onder andere: De stichting 's Graveland - Ook de toename van outsiders in de verpondingskohieren * ) De onvruchtbare Gooise zandgrond was niet in trek bij beleggers, echter wel grasland. De Gooise Maatlanden raakten in handen van niet agrariers, die daarmee een monopoly positie verkregen. De verkoopprijs van akkers was zeer laag, terwijl de pachtsom van weiland zeer hoog was. De waarde verhouding was compleet zoek. Al vroeg was er in 't Gooi gebrek aan weiland en hooiland. Pachters van hooiland waren verplicht , bij gebrek aan aanbod, zeer hoge pachtprijzen te betalen. De 'Hollandsche Maatschappij van de Landbouw afdeling Gooiland', zag deze hoge pachtsommen reeds (midden 19e eeuw) als een rem op de ontwikkeling van de veehouderij.


* De Familie Duurkant bezat bijna een eeuw lang het schoutsambt van Blaricum. Deze familie werd 'grootgrondbezitter' (relatief naar de Gooise begrippen) . De Huizer Schout Killewigh verrijkte zich in slechts een ambtsperiode.

________________________

FAMILIE DE GOOIJER

ELDERT DE GOOIJER (1620-1660)

WILLEM ELDERTSZ DE GOOIJER (1645-1717)

JAN WILLEMSZ DE GOOIJER (1685-1736)

WILLEM JANSZ DE GOOIJER (1721-1788)

CORNELIS WILLEMSZ DE GOOIJER (1772-1846)



F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/

Voor afbeeldingen en foto's zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl/

Labels:


This page is powered by Blogger. Isn't yours?